VVL en sociale zekerheid

De ziekteverzekering in België wordt georganiseerd in uitvoering van een wet. Deze wet beschrijft de betrekkingen tussen de ziekenfondsen en hun verzekerden enerzijds en de verstrekkers en instellingen in de gezondheidszorg anderzijds. Het RIZIV (Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering) en de minister van Sociale Zaken zorgen voor de administratieve en controlerende structuur. Deze partijen onderhandelen en de afspraken worden geregeld door zogenaamde akkoorden en overeenkomsten.

Het overlegmodel

Sinds begin jaren zestig gaan vertegenwoordigers van de ziekenfondsen en vertegen-woordigers van de verschillende beroepsgroepen in de gezondheidszorg, op geregelde tijdstippen rond de tafel zitten om wederzijds te respecteren regels af te spreken. Die worden schriftelijk neergelegd in een soort van contract : de overeenkomst. Voor België worden de logopedisten vertegenwoordigd door de Vlaamse Vereniging voor Logopedisten (VVL) en de Union Professionnelle des Logopèdes Francophones (UPLF). De wet die de overeenkomstencommissie van logopedisten regelt is het KB van 18/10/1996. De eigenlijke installatie van de overeenkomstencommissie logopedisten-mutualiteiten vond plaats op 20/06/1997. Elke vereniging vaardigt 4 effectieve leden af en deze bedingen de conventie tegenover 8 leden aangeduid door de verzekeringsinstellingen. Aan beide zijden zijn eveneens 8 plaatsvervangende leden voorzien. De Voorzitter en de Secretaris van de commissie zijn leidende ambtenaren van de Dienst Geneeskundige Verzorging. Een overeenkomst is maar geldig als ten minste een drie-vierde meerderheid wordt bereikt. Dit wil zeggen dat minstens 6 leden, aan beide zijden van de tafel, de overeenkomst moeten goed- of afkeuren.

De overeenkomst

De ontwerpteksten van de ‘overeenkomst’ tussen verzekeraars en beroepsverenigingen worden ter goedkeuring voorgelegd aan de bevoegde minister en aan verschillende instanties van het RIZIV, o.a. om de uitgaven te controleren. Vervolgens wordt de tekst naar elke logopedist verstuurd, die er zich op zijn beurt kan over uitspreken. De Dienst voor de Geneeskundige Verzorging stuurt de individuele logopedist een exemplaar van de overeenkomst, samen met een toetredingsformulier. Het Verzekeringscomité telt het aantal toegetreden (geconventioneerde) logopedisten en stelt het percentage vast. Daarna kan de overeenkomst wettelijk ingang vinden. Van zodra het aantal geconventioneerde logopedisten de 60% bereikt, is de nationale overeenkomst van kracht. Wie op dat ogenblik niet geconventioneerd is, kan in principe het honorarium vrij bepalen. Maar de patiënt krijgt dan een terugbetaling die lager ligt dan het normale terugbetalingstarief van het ziekenfonds. Deze regeling geldt niet voor de categorie van de WIGW. Wordt nationaal de 60% toetreding niet bereikt dan kan de Koning ( de Minister) nagaan of de conventie de nodige 60% per streek heeft behaald en kan de overeenkomst per streek gelden. In geval er geen overeenkomst wordt bereikt legt de regering zelf een overeenkomst op.

De tarieven

In de overeenkomsten worden de honoraria vastgesteld, de stoornissen opgesomd die voor terugbetaling in aanmerking komen, de voorwaarden omschreven waaronder terugbetaling kan gebeuren, … Elke verstrekker kan kiezen of hij al dan niet zal toetreden. Verstrekkers die niet akkoord gaan met de voorgestelde ‘overeenkomst’ heten we niet-verbonden of niet-geconventioneerd. Globaal gezien is het overgrote deel van de verstrekkers verbonden. De niet-geconventioneerde verstrekkers worden gesanctioneerd, of beter: hun patiënten worden gesanctioneerd. Voor verstrekkingen verleend door niet-verbonden logopedisten is de terugbetaling door het ziekenfonds 20 % lager dan deze verleend door verbonden logopedisten.